Conform de wetgeving bescherming van persoonsgegevens bieden wij jou ons Privacy & Cookie beleid aan. Dit beleid geldt voor alle services die wij als bedrijf verlenen.

Ik accepteer de privacyvoorwaarden

Geschiedenis

Onderzoek van Klaas Jansma heeft aangetoond dat Eeuwe de Jong en niet de Gebr. Van der Schuit het Lemster Skûtsje bij van der Werff aan het Buitenstvalaat in opdracht heeft gegeven. In 1930 bouwden de Gebr. Van der Werff een prachtig schip voor Finnema uit Woudsend; nu het skûtsje van Earnewâld. Het skûtsje van De Jong liep in 1931 van de helling. Eeuwe de Jong vervoerde klei voor Dijkstra kleiwarenfabriek uit Sneek. Na de tweede wereldoorlog kreeg Jan Steenstra het skûtsje in eigendom. In het najaar van 1957 kocht de Fam. Van der Wal uit Irnsum het skûtsje in Nijebrêge. Zij gebruikten het skûtsje als woonboot. In het najaar van 1962 kocht Stichting Lemster Skûtsje op aanraden van Klaas van der Meulen dit skûtsje. Nadat het schip van haar opbouw was ontdaan vond er een proefvaart plaats. Voor die proefvaart gebruikte men de mast, zeilen en zwaarden van de Gerben van Manen, het skûtsje van Heerenveen.

Na het seizoen 1963 werd het skûtsje, om ruimte op het achterdek te winnen, van een kleinere roef voorzien. Deze roef is waarschijnlijk afkomstig van het eerste door Wildschut te Gaastmeer gebouwde skûtsje

 

Voor het nieuwe skûtsje tekende Arie de Boer een zeilplan dat de goedkeuring van de SKS niet kon wegdragen. De aanpassingen aan het schip hadden echter al plaatsgevonden en zo kon het zijn dat het skûtsje met een anderhalve meter naar achteren geplaatste mast aan de start verscheen. Deze ontwikkeling zou later ook op andere wedstrijdskûtsjes plaatsvinden. Een andere vernieuwing die bij het Lemster Skûtsje plaatsvond was het verschuifbaar maken van de zwaarden. Eerst maakte men gebruik van een beugel over het potdeksel. Later kwam er in het boeisel een sleuf, waar door middel van een schuifplaat het zwaard in lengterichting kon worden verplaatst.

In het voorjaar van 2004 nam het bestuur van de Stichting Lemster Skûtsje een ingrijpende beslissing. Het ging namelijk als laatste over tot het verlengen van het schip. Volgens berekeningen zou daardoor een winst in snelheid van enkele procenten worden behaald

Zowel het Lemster Skûtsje als de schepen van ouders en schoonouders van schipper Albert Visser op één foto in het droogdok.

Reeds in de negentiende eeuw werden wedstrijden met skûtsjes georganiseerd, zoals in 1820 in Sneek. Toentertijd werd met name gezeild als de boeren geen vracht hadden en de schippers op die manier wel eens een geldprijs konden verdienen. Vaak waren het kasteleins die een wedstrijd uitschreven, bijvoorbeeld als er kermis was, zodat na afloop de prijsuitreiking in het café kon worden gehouden. In de tweede helft van de negentiende eeuw werden verenigingen opgericht om het zeilen te organiseren. Toen maakte ook het idee van amateursport school, en werd er vrijwel geen wedstrijden meer uitgeschreven om geld. Omdat de schippers dan de tijd niet konden missen, begon het aantal deelnemers terug te lopen.

Toen in de eerste helft van de twintigste eeuw de vrachtvaart steeds meer gemotoriseerd werd, begon ook het aantal skûtsjes terug te lopen. In de Tweede Wereldoorlog was er al door het tekort aan brandstof weer meer te doen voor skûtsjeschippers. Zo werd er weer meer gezeild en tegen die achtergrond werd in 1945 de Sintrale Kommisje Skûtsjesilen (Centrale Commissie Skûtsjesilen), afgekort SKS, opgericht.

Terwijl het aantal wedstrijdcommissies groeide na de oorlog, liep het aantal skûtsjes terug; in de jaren vijftig was het niet meer goed mogelijk voor een beroepsschipper om een skûtsje in de vaart te houden. Daarom zijn stichtingen opgericht die voor eigen rekening een skûtsje aan het Skûtsjesilen lieten deelnemen. Zo is het huidige SKS- kampioenschap ontstaan, met skûtsjes die uitkomen voor een stad of dorp (enige uitzondering hierop is d’ Halve Maen, oorspronkelijk het skûtsje van (Philips) (Drachten).

Aan Lodewijk Meeter is het te danken dat de wedstrijdserie nog bestaat. In 1953, toen het silen zou worden afgelast wegens te geringe deelname, regelde Meeter voldoende boten zodat de wedstrijd kon doorgaan. Hij was ook de eerste schipper die een skûtsje speciaal voor wedstrijden kocht.

In de jaren zeventig en tachtig bleek het al weer mogelijk voor particulieren om een eigen skûtsje te bezitten. Omdat deze skûtsjes niet pasten in het stramien van de SKS (de schippers kwamen niet voort uit een schippersfamilie), hebben deze schippers een eigen organisatie opgezet, die sinds 1981 de Iepen Fryske Kampioenskippen Skûtsjesilen (Open Friese Kampioenschappen Skûtsjesilen), afgekort IFKS, uitschrijft. Daardoor zijn er nu in Friesland twee kampioenschappen Skûtsjesilen.

Aan het SKS-skutsjesilen wordt al jarenlang deelgenomen door een vast aantal van 14 skûtsjes. Hoewel er regelmatig een andere schipper of bemanning aantreedt, zijn het vaak nog dezelfde schepen die mee doen.

© 2011 Stichting Lemster Skûtsje